MENU

Interview met neuropsycholoog Jelle Jolles over wat iedere kindprofessional zou moeten weten

Geplaatst op 08-10-2019

Neuropsycholoog Jelle Jolles is universiteitshoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij houdt zich bezig met de relatie tussen hersenen en gedrag. Door toegepast wetenschappelijk onderzoek probeert hij bij te dragen aan verbetering van onderwijs en opvoeding, en kennis over te dragen naar de praktijk. In dit kader schreef hij het boek: ‘Het tienerbrein. Over de adolescent tussen biologie en omgeving’, waarin hij neuropsychologische inzichten beschrijft die iedere ouder en professional die met kinderen werkt zou moeten weten. KindVak Magazine sprak hem over deze neuropsychologische inzichten.


In hoeverre zou kennis over de relatie tussen hersenen en gedrag beter kunnen worden toegepast?
Er zijn veel ‘neuromythen’ in omloop, zoals over linker- en rechterhersenhelft of over leerstijlen. Dat zijn schadelijke visies, die strijdig zijn met wat we weten van de hersenfunctie. Mijns inziens is het belangrijkste dat we begrijpen waar die hersenen eigenlijk voor zijn. Die zijn om informatie te verwerken en te zorgen dat we kunnen functioneren in een veranderende wereld. Maar ‘de auto moet nog wel ingereden worden’: de persoon moet gedurende bijna 25 jaar kennis en ervaringen opdoen om de ingebouwde hersenprogramma’s tot ontwikkeling te brengen. Door interactie met de omgeving komt de persoon tot optimale ontplooiing. Als we dat ons realiseren (en het feit dat de omgeving nodig is voor die hersenrijping) dan zijn we al erg ver. Omdat iedereen dan op zijn vingers kan natellen dat er steun, sturing en inspiratie uit de omgeving (ouders, leraren, sport- en muziekcoaches e.d.) nodig zijn.

‘Er zijn veel ‘neuromythen’ in omloop, zoals over linker- en rechterhersenhelft of over leerstijlen.’

Welke verbeteringen zijn voorhanden?
Kennis en inzichten. Dat is het belangrijkste. Ik noem er veel in mijn nieuwe boek. Mijn boek is dan ook vooral ook bedoeld als een soort ‘psycho-educatie’: meer inzichten en kennis voor ouders, leraren e.d. zorgt ervoor dat ze beter begrijpen wat er met kind en tiener speelt, en kunnen daardoor adequater reageren. De techniek komt uit de klinische neuropsychologie en wordt veel in de patiëntenzorg gebruikt. Ik hoop van harte dat mijn boek kan helpen om in de leemte te voorzien: mijns inziens zijn er zoveel neuromythen in omloop omdat er te weinig mogelijkheden zijn voor het publiek maar ook professionals om goede informatie ergens vandaan te halen. Dus je vraag naar ‘verbeteringen’ beantwoord ik kernachtig met ‘ouders en leraren zelf’ maar ze moeten wat anders doen dan ze nu meestal doen. Dat anders is vooral door meer gericht te zijn, meer te inspireren, meer voorwaarden te scheppen, meer tijd en emotie erin te stoppen, meer betrokken te zijn en meer feedback te geven. Ik zeg: ‘de tiener is werk in uitvoering. Dat betekent actieve support van ouders en school.

‘Het woord ‘impulsief’ valt heel goed te leren aan een tienjarige.’

Kunt u een voorbeeld noemen wanneer ouders en leraren anders zouden moeten handelen?
Neem bijvoorbeeld een jongen van een jaar of 10 die goed is in taal, die goed kan plannen en die luistert naar wat de juffrouw zegt. Die kinderen hebben vaak een labeltje ‘hoogbegaafd’, omdat ze toevallig goede cijfers hebben. Het hoeft niet zo te zijn dat die een veel hoger IQ hebben, ze zijn simpelweg beter in taal. Vaak zie je dat die kinderen minder goed zijn in sociaal inzicht en ruimtelijke en andere vaardigheden. Tegelijkertijd zijn er ook veel kinderen bij wie het andersom geldt; kinderen die ravotten en die een beetje impulsief zijn. Vaak zijn die kinderen wat minder in hun schoolse vaardigheden, terwijl dit niet per se iets zegt over hun intelligentie. De slechte cijfers worden dan veroorzaakt door een nog fluctuerende aandacht, door de impulsiviteit van het kind die nog samenhangt met diens hersenrijping. Zo’n jongen kun je heel goed trainen in zelfinzicht. Je kunt hem situaties laten herkennen: wanneer heb ik meer last dat ik te snel reageer en wanneer minder? Het woord ‘impulsief’ valt heel goed te leren aan een tienjarige. En hij kan leren ‘STOP’ te zeggen tegen zichzelf. Dan heeft het kind dus een handvat om zijn eigen gedrag te controleren. Ouders en leraren denken in zo’n situatie vaak: laten we hem maar niet extra belasten met deze informatie, terwijl in feite het tegenovergestelde wenselijk is.

‘Als je aan ouders leert hoe hun tiener in elkaar zit, dan kun je leren hoe ze met mogelijke problemen om kunnen gaan.’

Wat is er dan nodig om zulke inhoudelijke kennis in het onderwijs te implementeren?
Een attitudeverandering. Leraren zullen moeten inzien dat kinderen uit zichzelf nieuwsgierig zijn. Nieuwsgierigheid kan lastig zijn voor een leraar. Namelijk als je een klas van 30 kinderen hebt, en er zijn 20 nieuwsgierig, dan is dat praktisch gezien lastig. Toch moeten leraren inzien dat het niet erg effectief is als er wordt gezegd: ‘nu moeten jullie allemaal je mond houden, want ik ben aan het woord’. Je kunt door je gedrag als leraar op school de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen onderdrukken, terwijl dit juist gestimuleerd zou moeten worden. Dat betekent ook dat leraren een manier zullen moeten vinden op juist niet de nieuwsgierigheid af te kappen, maar die te gebruiken voor de natuurlijke leerbehoefte van kinderen. Dat is lastig, want die behoefte is anders dan dat wat wij nu in het onderwijs aan onze kinderen opleggen. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat de manier waarop de leraar naar het kind kijkt ook erg belangrijk is, de zogeheten ‘teacher perceptions’. We weten dat de opvatting die een leraar kan hebben van de leerling soms echt onjuist is. Zo werd er bijvoorbeeld gedacht dat meisjes minder goed zijn in wiskunde dan jongens, terwijl we nu vanuit de wetenschap weten dat dat niet klopt: ze hebben beide de potentie maar meisjes lopen hierin in de ontwikkeling iets achter op jongens net zoals jongens achterlopen in taalvaardigheid. De manier waarop een leraar naar zijn/haar kinderen kijkt is veranderbaar, door de leraar begrip te geven in hoe het lerende kind in elkaar zit. Daar pleit ik dan ook sterk voor.

En hoe zit het met ouders?
En hoe zit het met ouders? Ook zou ik graag zien dat de kennis en inzichten die ik in mijn boek beschrijf bij ouders belanden. Als je aan ouders leert hoe hun tiener in elkaar zit, dan kun je leren hoe ze met mogelijke problemen om kunnen gaan. Neem bijvoorbeeld ouders die zeggen dat hun kind niet meer goed luistert, dat hij vriendjes heeft die 2 à 3 jaar ouder zijn en dat ze het gevoel hebben dat hun zoon al bijna het huis uit is. Het duurt nog maar liefst 10 jaar voordat hun zoon volwassen is en zijn gedrag valt te verklaren vanuit de rijping van zijn hersenen. Een veertienjarige heeft namelijk alleen maar interesse in zijn peer-groep. Dus de interesses die hij heeft horen bij zijn brein. Dat betekent niet dat ouders geen mogelijkheden hebben om interesses bij hun zoon aan te wakkeren, integendeel. Ze kunnen bijvoorbeeld heel veel doen met de zich ontwikkelende denk- en redeneervaardigheden van hun kind. Maar daarvoor is het wel nodig dat ouders over de juiste informatie beschikken, en ik hoop dat mijn boek daaraan een bijdrage levert.

Meer van deze interessante artikelen? Vergeet ons niet te volgen!

        


Over de auteur: Thom Roozenbeek is redacteur en journalist bij KindVak Magazine.

Deel deze pagina:

Mediapartners

  • #21
  • #16
  • #14
  • #17
  • #15
  • #4
  • #24
  • #25

Promotie carrousel

  • #9
  • #10
  • #13

Organisatiepartners

  • #6
  • #14
  • #7
  • #4
  • #5
  • #13
  • #12